Geen lineaire besparing, maar gerichte bijsturing
Belangrijk is dat er niet gekozen werd voor een algemene “kaasschaaf” waarbij overal willekeurig wordt gesnoeid. Geen blinde schrapping van bijvoorbeeld 3 of 5% per regio. Want dat zou ook drukke en essentiële lijnen treffen. In plaats daarvan gebeurt de oefening op basis van bezettingscijfers. Ritten met zeer lage bezetting worden geëvalueerd en enkel waar een duidelijke drempel wordt onderschreden, wordt ingegrepen. 

Hoewel de besparing neerkomt op 3,7% van het exploitatiebudget, zou slechts ongeveer 0,2% van de reizigers rechtstreeks getroffen worden. Het gaat dus niet om een brede afbouw, maar om een gerichte heroriëntering van middelen. En die middelen zijn aanzienlijk.

Grote publieke investering, beperkte kostendekking
Vandaag ontvangt De Lijn ongeveer 1,4 miljard euro aan toelage. Tien jaar geleden was dat nog 995 miljoen euro. Tegelijk vertegenwoordigt het openbaar vervoer slechts ongeveer 3% van alle verplaatsingen in Vlaanderen. Ter vergelijking: de fiets is goed voor ongeveer 19% van de verplaatsingen, met een veel beperktere overheidsinvestering. Dat betekent niet dat openbaar vervoer minder belangrijk is, wel dat efficiëntie cruciaal is.

Ook aan de inkomstenzijde wordt bijgestuurd. Vandaag betaalt de reiziger slechts een klein deel van de werkelijke kost: voor elke euro die een ticket opbrengt, legt de overheid nog steeds ongeveer zes euro bij. De tarieven werden jarenlang niet geïndexeerd, terwijl de kosten bleven stijgen. Een aanpassing was dus onvermijdelijk.

Groei ondanks hervormingen
Ondanks een tariefstijging van 18% in 2025 blijft het aantal reizigers toenemen. Tussen 2022 en 2025 steeg het aantal reizigers met 6,5%. In 2025 telt De Lijn bijna 704.000 abonnees, goed voor een stijging van 3% tegenover 2024 en 5% tegenover 2023.

Die cijfers tonen dat het systeem niet krimpt, maar evolueert. Ze tonen aan dat de hervorming naar basisbereikbaarheid werkt. Dat het mogelijk is om tegelijk efficiënter te werken en meer mensen te bereiken. 

Bovendien stopt het verhaal hier niet. 

Toekomst: investeren waar de vraag het grootst is
Vanaf 2027 wordt 50 miljoen euro extra geïnvesteerd, oplopend tot 125 miljoen euro per jaar tegen 2029. Dat geld gaat naar versterking van drukke lijnen en flexibel vervoer waar de vraag er is. Dat is waar beleid over gaat: keuzes maken, onderbouwd met cijfers. Niet elke lege bus laten rijden omdat het goed klinkt, maar investeren waar het effect heeft.

Dit gaat niet over minder openbaar vervoer. Dit gaat over beter openbaar vervoer met cijfers die dat ook aantonen.