Het duurt meestal ook niet lang voor de politiek reageert. Zoals zo vaak wordt er dan snel geschakeld naar allerlei ondersteunende maatregelen voor gezinnen en bedrijven. De koopkracht moet beschermd worden, klinkt het dan. Aan de linkerzijde van het politieke spectrum gaat het daarbij vanzelfsprekend onmiddellijk over de bescherming van de meest kwetsbare gezinnen.

De ene partij lanceert voorstellen rond prijsplafonds, waarna andere partijen niet willen achterblijven en zich eveneens profileren als verdedigers van de koopkracht. Zo ontstaat opnieuw een gekend patroon: een opeenvolging van voorstellen en verklaringen waarbij partijen elkaar proberen te overtreffen in goede intenties.

Wat daarbij echter opvallend vaak ontbreekt, is het antwoord op de meest fundamentele vraag: waar moet het geld vandaan komen?

Want beloftes doen is eenvoudig. Structurele financiering vinden is dat veel minder.

Ook bij de steden en gemeenten zien we diezelfde reflex. Via de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten wordt gepleit voor betere verloning voor het personeel van lokale besturen, onder meer via loonsverhogingen en hogere maaltijdcheques. Er werd zelfs geprobeerd om tot een algemeen Vlaams kader te komen, maar met een beperkte meerderheid en een aanzienlijk aantal onthoudingen blijkt duidelijk dat het draagvlak voor zulke ingrijpende beslissingen verre van evident is.

Bovendien botst men hier op een harde realiteit. Veel steden en gemeenten staan vandaag al onder zware financiële druk. In heel wat lokale besturen betekent een structurele verhoging van de loonkosten onvermijdelijk dat er elders moet worden bespaard, vaak op personeel. Extra loonmarge vertaalt zich in die context niet zelden in minder jobs.

Daar komt nog bij dat de stijgende energieprijzen wellicht opnieuw tot een indexoverschrijding zullen leiden. Alleen dat mechanisme zal al een zware impact hebben op de lokale financiën. Voor veel besturen wordt dat op zich al een bijzonder moeilijke oefening.

De budgettaire ruimte is vandaag op alle niveaus bijzonder beperkt. Niet op federaal niveau, niet op Vlaams niveau en zeker niet bij de lokale besturen waar op verschillende plaatsen al besparingen en personeelsafbouw worden doorgevoerd. Steden zoals Aalst, Genk, Gent, Mechelen en Brussel nemen maatregelen om hun financiën onder controle te houden. Ook in kleinere gemeenten leidt de stijgende personeelskost tot moeilijke keuzes en een afbouw van het personeelsbestand, vaak via natuurlijke afvloeiingen.

De conclusie is dan ook weinig spectaculair, maar wel eerlijk: er is vandaag simpelweg geen ruimte voor bijkomende structurele loonstijgingen bovenop de automatische indexaanpassingen.

Dat betekent niet dat de uitdagingen er niet zijn of dat mensen de druk niet voelen. Maar het betekent wel dat politieke geloofwaardigheid begint bij financiële eerlijkheid. Budgettaire discipline is geen ideologische keuze, maar een noodzakelijke voorwaarde om besturen gezond te houden.

Of anders gezegd: "De politiek moet stoppen met mensen te laten geloven dat elke nieuwe crisis kan worden opgelost met nieuw geld. Want uiteindelijk bestaat er maar één bron van overheidsmiddelen: de belastingbetaler. En die kan je geld maar één keer uitgeven, niet twee keer."